Pagina Selecteren

40 jaar na zijn sterfjaar vindt een groep bewonderaars het tijd voor een eerste gedenkteken voor Vincent van Gogh. Van Goghkenner Jacob B. de la Faille zit het landelijk comité voor, waaraan onder andere kunstenaars Piet Mondriaan en Jan Sluijters en Rijksmuseumdirecteur Frederik Schmidt Degener deelnemen. De keuze valt op Nuenen, waar volgens hen Vincents belangrijkste Nederlandse werken zijn ontstaan. De beeldhouwer Hildo Krop (1884-1970), ook lid van het comité, is bereid gevonden om een ontwerp te maken. Door verschillende perikelen duurt het tot 30 juli 1932 voordat het gedenkteken wordt onthuld; gedurende de totstandkoming wordt in 1930 ook een gedenksteen geplaatst op het voormalige atelier achter de pastorie.

Elisabeth du Quesne-van Gogh bij de onthulling van het Van Goghmonument van Hildo Krop (30 juli 1932)

Krop ontwerpt een ronde zerk uit Beiers zwerfsteen waarin aan de rand het opschrift is gebeiteld: ‘in dit dorp werkte Vincent van Gogh december 1883-november 1885'. Daarop staat een ruwe steen, een basaltblok uit Zuid-Frankrijk met een daarin gebeitelde stralende zon. Het beeld verbindt zo de donkere Nuenense periode met het lichte Frankrijk.

Het monument bestaat uit een uit zeven delen samengestelde gescharreerde molensteen, waarop een gebosseerd, asymmetrisch opstaand gedeelte geplaatst is. De molensteen rust op een sokkel van zeven stenen.

Het eerste landelijke Van Goghmonument wordt geplaatst in het centrum bij de grote lindeboom aan de Berg.

Dit was tevens het eerste monument voor Vincent van Gogh, wereldwijd.

Onthulling van het gedenkteken op 30 juli 1932 door de zuster van Vincent van Gogh, Elisabeth du Quesne-van Gogh

In 1932 komt Vincents zus Elisabeth weer in contact met de familie Hofkes. Op 4 juli 1932 schrijft zij vanuit Baarn aan het echtpaar Hofkes, dat haar door de ’Eindhovensche Kunstkring’ gevraagd is om op 30 juli een gedenkteeken voor haar broer Vincent te onthullen.

Zij vindt Nuenen niet de geschikte plaats voor het monument. „Mijns inziens ware Zundert aantrekkelijker geweest, ook was ik eerst van menens geweest er niet heen te gaan. „Als je er later maar geen spijt van hebt,” zeide iemand en het nog eens overwegende meende ik het aan mijn broer verplicht te zijn, zijn overleden familie als alleen overgeblevene, te vertegenwoordigen, ook hierbij.

Bij de onthulling houdt zij een toespraak, waarin zij onder meer Vincents kunstenaarsschap en zijn gehechtheid aan de Nuenense omgeving memoreert. Later stuurt zij aan de familie Hofkes uit dankbaarheid een exemplaar van een van haar verzenbundels, ’Tijdloozen’. Het laatste gedicht daaruit, ’Het oude Huis zou een beschrijving kunnen zijn van de pastorie.

Bronnen voor dit artikel:

o.a Informatie van de Rijksmonumentdienst.

Peter van Overbruggen en Jos Thielemans: van Domineeshuis tot van Goghhuis 1764-2014