Herman Neijts, geboren 5 januari 1893 te Amsterdam en overleden op 18 februari 1980 te Nuenen.
Hij komt in 1921 via Acht naar de Vorsterdijk in Nuenen. Later begint hij op de Geer een groentekwekerij. Daarnaast is hij een fervent natuurliefhebber. In de loop van de jaren bouwt hij onder andere een uitgebreide en waardevolle vlinderverzameling op. Hij heeft deze geschonken aan de Nederlandse Entomologische Vereniging van de Rijksuniversiteit te Amsterdam.

| Op deze foto uit 1928 het woonhuis van de familie Neijts aan de Vorsterdijk, die dan nog Stekestraat heet. Herman Neijts had een groentekwekerij, waar hij in kassen druiven, tomaten, meloenen enzovoort kweekte. Zijn vrouw voerde een winkel in koloniale waren (kruidenierswinkel). De voorgevel was rijkelijk van reclameborden voorzien, zoals: Zebra kachelglans, Persil, Maggi, van Yzendyks koffie thee, Van Nelles tabak. Het huis is gesloopt. | ||
Herman Neijts, groentekweker en entomoloog (insectenkundige)
Korte levensbeschrijving
Herman Neijts werd op 5 januari 1893 te Amsterdam geboren. Samen met zijn broer Leo groeide hij op in het pensionaat voor weeskinderen bij de zusters in Denekamp. Op dit pensionaat kwam hij als 12-jarige jongen in contact met een jonge onderwijzer Bernink, de oprichter van het natuurhistorisch museum "Natura Docet" in Denekamp. Daar werd zijn sluimerende liefde voor de natuur geprikkeld en gestimuleerd.
Hij leerde er het determineren van insekten en vlinders, het opzetten van vlinders en het prepareren van dieren, met name vogels en kleinere zoogdieren. In 1915 kreeg hij een baan als tuinman in een nonnenklooster te Acht. Ook hier kon hij zich voor een deel uitleven in zijn liefde voor de natuur.
Toen hij in 1921 trouwde met Lien Hurkens, kocht hij een huis met een stuk grond aan de huidige Vorsterdijk, naast het toenmalige cafe Klomp. Hier begon hij een groentekwekerij "De Watermolen"; toen reeds voor een deel in kassen. Dat zijn producten hieruit, hoewel hij geen hofleverancier was, zelfs in koninklijke kringen gewaardeerd werden, blijkt uit onderstaande brief van de particulier secretaris van Koningin Wilhelmina aan Herman Neijts.

Herman Neijts met pijp

Brief van particulier secretaris van Koningin Wilhelmina aan Herman Neijts d.d. 19-09-1923
In 1936 verhuisde het gezin Neijts-Hurkens naar het toenmalige Hool D15, nu De Geer 14, waar de groentekwekerij op een hectare grond weer werd voortgezet. In 1948 verhuisde de familie naar de Voirt en stopte Herman met de groentekwekerij. In 1956 verhuisde het gezin naar Julianastraat 2.
Hij heeft tot zijn 65e bij diverse tuinderijen en boomkwekerijen gewerkt. Herman en Lien kregen dertien kinderen. Op 18 februari 1980 overleed hij op 87-jarige leeftijd. In het maandblad van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging "Natura" van mei 1980 werd hij in een artikel "In memoriam Hermanns Cornelis Charles Neijts" herdacht.
Het vangen van vlinders en rupsen
Zijn grote liefde ging uit naar het vangen en opzetten van in hoofdzaak Nederlandse vlinders. Het vangen van vlinders gebeurde meestal met een vlindernetje (zie onderstaande foto). Herman kon al op afstand aan het vliegpatroon het soort vlinder herkennen.

Herman Neijts was de tweede groenteboer die in Nuenen ventte. In juli 1934 schafte hij zich een ventkar en het paard Mina aan. Hij woonde toen aan de Eindhovenseweg (de huidige Opwettenseweg) en bezat een kwekerij aan de Vorsterdijk.
Het vangen
Om de vlinders rechtstreeks te vangen wordt ook wel op zomeravonden een wit laken gespannen, dat met een kwikdamplamp fel werd beschenen. Hier kwamen in sneltreinvaart insecten en vinders, o.a. de pijlstaartvlinder, op af. Met een vangnetje werden de vlinders eraf geschept en verdwenen dan voor eeuwige roem in een potje met op de bodem watten gedrenkt in chloroform,
Ook werd er wel gevangen op smeer, een afgewogen mix van stroop en bier. Dit mengsel werd als een band om een boomstam gesmeerd en dan smullen maar. Erop ging gemakkelijker dan eraf, maar daar wilde Herman wel een handje bij helpen door ze in het chloroformpotje te laten verdwijnen, Ook werden rupsen verzameld. Dit gebeurde door een omgekeerde paraplu onder een struik te plaatsen. Door te schudden vielen dan rupsen uit de struik in de paraplu.
Deze werden thuis in een soort vliegenkastje gezet, waarin een weckfles met water stond, met daarin de twijgen van de plant of struik, waarop de rupsen waren gevonden. De rupsen konden zich hieraan in alle rust tegoed doen totdat ze zich gingen verpoppen. In het volgende voorjaar kwamen de nieuwe vlinders uit de poppen te voorschijn. De vlinders was helaas slechts een kort leven beschoren want zij verdwenen al snel in het bekende chloroformpotje.

Herman Neijts als vlindervanger

Gezin van de groentekweker Neijts-Hurkens in 1934. Zij wonen met hun 6 kinderen aan de Vorsterdijk, voorheen Stekestraat te Nuenen. Er volgen nog 7 kinderen.
Het prepareren
Dit vond meestal plaats in de wintertijd. Tot die tijd werden de vlinders in hun natuurlijke houding met ingeklapte vleugels in koektrommels bewaard in afwachting op verdere bewerking. De ingedroogde vlinders met hun kwetsbare vleugels werden dan enige tijd in een trommel overgebracht, die deels gevuld was met een laagje vochtig maaszand. Vervolgens werden de vleugels geopend, en werd de vlinder op een zogenaamd spanplankje bevestigd. Dit gebeurde met papieren strookjes en knopspeldjes. Na enige tijd kon de vlinder worden overgebracht naar zijn definitief verblijf. Dit was een lade, die voorzien was van een zachte bodem en een glazen deksel. Hier konden afhankelijk van hun grootte zo’n 50 tot 150 geprepareerde vlinders worden opgeborgen (met een knopspeld worden vastgeprikt).
Het opbergen gebeurde per soort, dat op een etiket werd vermeld. Bovendien werd bij elke vlinder een minutieus etiketje geplaatst, waarop met zeer klein schrift stond geschreven: de Latijnse benaming, de vindplaats, de datum en de naam van de vanger. Per familie werden ook alle exemplaren bewaard die in tekening of grootte afweken van de normale exemplaren. Dit maakte de verzameling zo bijzonder en ook uniek voor de wetenschap. De laden werden in speciale ladekasten bewaard. Op het laatst bezat Herman Neijts een collectie van, alleen aan in Nederland gevangen vlinders, zo'n 15.000 stuks, verdeeld over meer dan 730 soorten. Overbodig te zeggen dat hierdoor de leefruimte in huize Neijts zeer beperkt werd.
Vanggebieden en onderhoud
Zijn favoriete vanggebieden in Nuenen waren Het Broek en, samen met pastoor Aldenhuijsen, de pastorietuin van de H. Clemenskerk. Maar er werd niet alleen in Nuenen naar vlinders gezocht. Men toog ook naar Drenthe, de Peel en Limburg. Kortom er werd heel wat afgereisd. In de vakanties naar het buitenland werden zijn vele kinderen uitgerust met ieder zijn of haar eigen vlindernet.
De gevangen vlinders werden opgeborgen in de afdeling “Speciaal”. Hier vielen ook de talrijke tropische vlinders onder, die door missionarissen werden meegebracht of opgestuurd. Hierbij waren zeer grote exemplaren, zoals bijvoorbeeld de atlasvlinder.
Uiteraard vergde zijn kostbare, wetenschappelijk opgebouwde verzameling ook het nodige onderhoud, bijvoorbeeld tegen schimmel en “vreterij)” door het zogenaamde museumkevertje. Schimmel werd verholpen door de aangetaste plekken aan te tippen met benzine.
Het museumkevertje en ander ongedierte vonden een snel einde door watjes in de kast, die in een vergif waren gedrenkt.
Het opzetten van kleine dieren
De ouderen onder ons zullen zich nog wel herinneren dat er in hun jeugd als verfraaiing in huiskamers een opgezette uil of ander dier met glazen oogjes op een bijpassende tak tevreden zijn tijd zat te slijten. Dit gaf toen ook aan, dat de eigenaar geïnteresseerd was in de nabuur. Er was dus voor Herman Neijts een afzetmarkt voor opgezette dieren. Van de opbrengsten werd zijn vlinderhobby mede bekostigd. Dieren werden meestal gebracht, maar ook wel gevonden. Bij het opzetten werden de dieren eerst volledig door een lange snede over de buik, leeggehaald.
Het vrijkomend vlees, bijvoorbeeld van een fazant, ging in de braadpan. Voor conservering werd de huid van vogels aan de binnen- kant ingesmeerd met prepareerzeep en de huid van pelsdieren werd gelooid. Het dier werd daarna opgevuld met houtwol, dat met touw werd omwonden. De schedel werd met turf opgevuld en de poten met kapok. Voor de versteviging werd een skelet van ijzerdraad gebruikt. Het vakmanschap kwam tol uiting naarmate de vorm van het opgezette dier overeenkwam met zijn vroegere gedaante. Ook zijn karakteristieke houding was belangrijk. Een eenmaal opgezet huisdier leverde nog wel eens een teleurstelling op: “Nee, onze kat keek veel spitser.”

De atlasvlinder (Attacus atlas) is een vlinder uit de familie van de nachtpauwogen (Saturniidae). De nachtvlinder is overwegend bruin met lichtere en donkere accenten. De vlinder kan een spanwijdte bereiken van 25 tot 30 centimeter en behoort hiermee tot de grootste vlinders ter wereld. (Bron: Wikipedia)

Patoor Aldenhuijsen
Het was zonder vergunning niet toegestaan beschermde dieren op te zetten. Bij een controle door de inspectie van de dierenbescherming werden er dan ook een keer dieren in beslag genomen. Bekend is het verhaal en het proces-verbaal van pastoor Aldenhuijsen. Onder de in beslag genomen dieren bevond zich ook een uil die door Aldenhuijsen bij Herman Neijts was gebracht. In het proces-verbaal was sprake van een kerkuil, terwijl de pastoor de rechter wist te overtuigen dat het een ransuil betrof. Pastoor Aldenhuijsen werd door deze vormfout vrijgesproken, maar Herman Neijts was wel het haasje.
Volgens zijn zoon Ton heeft zijn vader ook eens een aap opgezet. Op een kermis in Nuenen overleed een orang-oetang ten gevolge van een verwaarloosde blaasontsteking of iets van gelijke aard. Herman heeft er toen voor gezorgd dat, tot volle tevredenheid van de kermisexploitant, de uiterlijkheden van de aap met nog een aantal jaren zijn verlengd.
In zijn latere jaren schonk Herman Neijts zijn gehele collectie Nederlandse vlinders aan de Nederlandse Entomologische Vereniging van prof. B. Lempke, verbonden aan de Rijksuniversiteit te Amsterdam. Zijn levenswerk kan hierdoor nog lang een breed publiek dienen en een bijdrage leveren voor wetenschappelijke studies op entomologisch gebied.
Dit artikel is een bewerking van de publicatie van Martin van Riet en Ton Neijts in de Drijehornickels van april 1997.